Het zetten van een tattoo

Tatoeages zijn kleurveranderingen in de huid die worden veroorzaakt door kleurstoffen die in de huid worden aangebracht. Tegenwoordig worden tatoeages aangebracht met behulp van apparaten die met grote snelheid met een naaldje een pigment (een stof die een kleur geeft) in de huid deponeert. De deeltjes van het pigment zijn te groot om door 'lichaamseigen opruimcellen' (macrofagen) in je lichaam afgevoerd te worden en daarom blijven de kleurtjes in je huid zitten

De huid is opgebouwd uit twee verschillende lagen die weer uit verschillende weefsels bestaan. De buitenste laag heet de opperhuid (epidermis) en de laag daaronder wordt de lederhuid (dermis) genoemd. De opperhuid is opgedeeld in meerdere lagen epitheel (bijna ondoordringbare huid). De buitenste laag van het epitheel bestaat uit dode, sterk afgeplatte cellen die zorgen voor extra bescherming. Onder deze moeilijk doordringbare laag huid wordt de tattoo geplaatst. 

De naald met het pigment gaat tot 2 mm diep de huid in en bereikt daar de lederhuid. Wanneer de inkt de lederhuid bereikt, gebeurt er iets geks. De huid schrikt van de onbekende stof, maar de pigmentdeeltjes zijn te groot om weggevoerd te worden. De huid moet dus op een andere manier regelen dat zij niet door de stof beschadigd wordt. Dit doet de lederhuid door de inkt (pigmenten) in te kapselen. Op deze manier ontstaan er letterlijk bolletjes inkt die de huid geen schade aanrichten. Daardoor kunnen ze altijd onder de huid blijven zitten. Deze beschermingsreactie van de huid is dus ideaal om permanente versiering op de huid aan te brengen.